Inloggen

Bungee-trampoline
VWO 2011, 1e tijdvak, opgave 4


Download hierboven de originele pdf van het examen waar deze opgave in staat en de bijbehorende uitwerkbijlage. "Bungee-trampoline" is de 4e opgave in dit examen. Als je de opgave gemaakt hebt kun je jezelf nakijken met het correctievoorschrift.

Kom je er zelf niet uit? Dan kun je hieronder je vraag stellen.

Vraag over "Bungee-trampoline"?


    Hou mijn naam verborgen

Eerder gestelde vragen | Bungee-trampoline

Op zaterdag 4 aug 2018 om 14:50 is de volgende vraag gesteld
Beste meneer van Munster,

Bij opgave 21 is mij nog niet helemaal duidelijk hoe je zou kunnen weten dat bij nr 3 = Ev-el en bij nr 5 = Ev-tr? Want waarom zou Ev-tr, als Lisa onderaan staat, juist 0 zijn en Ev-el maximaal? Het lijkt mij juist dat wanneer ze weer onderaan is en ze extra veel druk oefent op de trampoline?

Erik van Munster reageerde op zaterdag 4 aug 2018 om 15:49
Het moment dat Lisa op het laagste punt is is als Ez (grafiek 2) minimaal is. Je ziet dat Ev-tr niet 0 is onderaan maar juist maximaal. Zou inderdaad gek zijn als Ev-tr 0 is onderaan maar dat is dus ook niet zo. (Het is een beetje puzzelen deze opgaven)

Op zaterdag 4 aug 2018 om 16:13 is de volgende reactie gegeven
Jaa ik zag het toen ik inzoomde! Dat van nr 3 en nr 5 snap ik ook al. De elastieken zijn namelijk aangespannen als ze onderaan is dus bevatten meer energie dan de trampoline. Ik dacht namelijk dat de elastieken ontspannen waren als ze beneden was, maar dan zou Lisa niet omhoog komen ;)


Op donderdag 17 mei 2018 om 12:51 is de volgende vraag gesteld
Hallo Erik,
Bij vraag 18 wordt het maximale hoogteverschil van één sprong gevraagd. Ik begrijp dat Lisa bij v=0 zich in een uiterste/hoogste punt bevindt en ik weet ook dat het oppervlak onder een v,t-diagram de verplaatsing weergeeft. Dus het m.b.v. hokjes tellen bijv. zou inderdaad kunnen worden bepaald hoe hoog Lisa is in het hoogste punt. Wat ik hier verwarrend vind, is dat er wordt gevraagd naar het maximale hoogteverschil. Een trampoline veert bij een sprong namelijk ook in, waardoor het hoogteverschil toe zou nemen, toch? Is dit op te maken uit het v,t-diagram? En moet hier rekening mee worden gehouden (volgens het antwoordmodel niet??) en hoe bepaal je dan de 'indrukking' van de trampoline?
Bij voorbaat dank!

Erik van Munster reageerde op donderdag 17 mei 2018 om 14:21
De opgave vind ik niet helemaal duidelijk. Het hangt er van af wat er precies wordt verstaan onder een "sprong". Kennelijk bedoelen ze de hoogte die bereikt wordt nadat ze heeft afgezet en dus niet het verschil tussen het laagste en het hoogste punt van de beweging.

Dit blijkt ook uit het correctiemodel waarin ze alleen kijken naar het oppervlak als de snelheid positief is dus alleen naar de weg van de afzet tot het hoogste punt. De indrukking van de trampoline is hier dus niet van belang.


Op vrijdag 4 mei 2018 om 19:55 is de volgende vraag gesteld
Dag meneer,
Bij vraag 16 had ik dat de W = delta Ek en niet dat de W = Ek + Eveer. Kunt u mijn uitleggen waarom de W niet gelijk is aan Ek, zoals ik had veronderstelt?

Erik van Munster reageerde op vrijdag 4 mei 2018 om 20:07
Omdat het elastiek uitrekt bij het ophijsen. De verrichtte arbeid wordt dus omgezet in zwaarte-energie (Lisa is hoger na het hijsen) én veerenergie (vanwege het uitgerekte elastiek).

En dus niet in kinetische energie. Aan het begin en aan het eind is de snelheid namelijk 0 m/s.

Op vrijdag 4 mei 2018 om 20:11 is de volgende reactie gegeven
Dus bij arbeid moet je altijd kijken naar wat wordt het omgezet?

Erik van Munster reageerde op vrijdag 4 mei 2018 om 20:30
Klopt. Bij arbeid en energie moet je altijd kijken naar hoeveel een energiesoort verandert.

Een energiesoort die hetzelfde blijft kost geen energie en heeft ook geen invloed op andere energiesoorten.