Inloggen

Fietskar
vwo 2004, 2e tijdvak, opgave 2


Download hierboven de originele pdf van het examen waar deze opgave in staat en de bijbehorende uitwerkbijlage. "Fietskar" is de 2e opgave in dit examen. Als je de opgave gemaakt hebt kun je jezelf nakijken met het correctievoorschrift.

Kom je er zelf niet uit? Dan kun je hieronder je vraag stellen.

Vraag over "Fietskar"?


    Hou mijn naam verborgen

Eerder gestelde vragen | Fietskar

Op maandag 29 mrt 2021 om 10:47 is de volgende vraag gesteld
Goedemorgen meneer,
In het correctievoorschrift hebben ze als waarde voor de afgelegde afstand: 35 meter. Volgens mij moet het heel simpel zijn om dat te berekenen, maar ik kom er even niet op...
Zou u me dat uit kunnen leggen?
Alvast bedankt!

Erik van Munster reageerde op maandag 29 mrt 2021 om 13:09
Inderdaad heel simpel :) Staat in de opgave zelf (vlak boven vraag 5 staat dat de afgelegde afstand 35 m is).

Op maandag 29 mrt 2021 om 13:16 is de volgende reactie gegeven
Oh, dat is dan een foutje in de examenbundel want daar mist de regel waarin staat dat s=35.
Maar bedankt voor uw reactie!


Bekijk alle vragen (6)



Op zaterdag 27 jun 2020 om 15:58 is de volgende vraag gesteld
Beste Erik,

Kan ik bij vraag 11 de formulde florentz=fmpz gebruiken bij mijn uitleg of heeft het er niks mee te maken?

Erik van Munster reageerde op zaterdag 27 jun 2020 om 16:44
Nee, het gaat hier om de elektriciteit die er wordt opgewekt in de spoel. De grootte van de inductiespanning hangt af van hoe snel het magneetveld in de spoel (de “flux”) verandert. Hoe sneller dit verandert hoe groter de inductiespanning en hoe meer stroom er loopt

De remkracht die op de spoel werkt is lorentzkracht en die hangt (volgens Fl=B I L) weer af van de stroom I. Vandaar dat de remkracht groter is bij hogere snelheid.

Je hoeft dus niks met Fmpz te doen hier.

Op zaterdag 27 jun 2020 om 17:49 is de volgende reactie gegeven
Kan ik het uit formule afleiden? ( naast die van fl=b u l)

Erik van Munster reageerde op zaterdag 27 jun 2020 om 17:57
Dat inductiespanning afhangt kun je aan de formule zien maar dit is een uitlegvraag: Je hoeft alleen in je antwoord te noemen dat de opgewekte stroom en de lorentzkracht groter zijn bij een grotere fluxverandering.

Op zaterdag 27 jun 2020 om 17:57 is de volgende reactie gegeven
Ohh bedankt


Op dinsdag 1 mei 2018 om 21:34 is de volgende vraag gesteld
Bij opdracht 6 is er sprake van een versnelling dus moet er een resulterende kracht zijn in de richting van de beweging. Dan moet toch de kracht Fkar op fiets langer zijn dan de kracht van de fiets op kar? Hoe kan het dat deze twee krachten gelijk zijn aan elkaar? Dan is Fres=0 en dan is er geen beweging of een constante snelheid

Erik van Munster reageerde op dinsdag 1 mei 2018 om 23:11
Klopt, als er versnelling is er een resulterende kracht naar voren op de fiets. Maar voor het bepalen van deze resulterende kracht moet je alleen kijken naar de krachten die OP DE FIETS werken.

De kracht die de fiets op de kar uitoefent telt hierbij niet mee want die werkt op de kar en niet op de fiets. Het is dus niet zo dat je de kracht van de fiets op de kar en de kar op de fiets bij elkaar kunt optellen want ze werken niet op hetzelfde voorwerp.


Thomas Rous vroeg op donderdag 22 mrt 2018 om 19:19
Beste Erik,

Ik snap hier vraag 7 niet. Hoe komen ze aan die 18 keer 50 keer 10^3 Joule en hoe kan de totaal verrichte arbeid bij verschillende snelheden nou gelijk zijn?

Ik hoor het graag van u!

Erik van Munster reageerde op donderdag 22 mrt 2018 om 20:45
Dat de totaal verrichte arbeid bij twee snelheden hetzelfde is is iets wat in de vraag zelf staat als gegeven. Maar de afstanden (2) en krachten (F) die bij deze totale verrichte arbeid horen is niet hetzelfde. Bij 20 km/h is de wrijvingskracht 18 N en kan er met een volle accu 50 km worden afgelegd (staat in inleiding). De totale verrichtte arbeid is dan

W = F*s
W = 18 * 50000 = 900000 J

Bij 40 km/h is de totale verrichtte arbeid hetzelfde maar zijn de kracht en de afstand ander. De kracht is 47 N en er geldt dus

W= F*s
9000000 = 47 * s

Voor de afstand geldt dan

s = 900000 / 47 = 19149 m

Afgerond 19 km.


Op vrijdag 14 apr 2017 om 15:50 is de volgende vraag gesteld
Zou u kunnen uitleggen hoe ze bij vraag 10 aan de juiste richtingen komen van I B en Fl?

Erik van Munster reageerde op vrijdag 14 apr 2017 om 17:04
Richting van I:
Stroom loopt altijd van de +pool naar de -pool. Als je kijkt naar het plaatje in de opgave (figuur 4) zie je dat de contactenpunten P en Q contact maken met een metalen schijfje. Tussen de twee helften kan geen stroom lopen. Vanaf contactpunt P loopt de stroom via het schijfje naar een draadje wat met de spoel verbonden is. Als je dit draadje volgt zie je dat de stroom in de spoel op punt S loopt in de richting waar in het plaatje het woordje 'as' staat. De stroom loopt dus schuin van je af het papier in.

Richting van B:
Buiten een magneet loopt B altijd van de noordpool naar de zuidpool. Vanuit de spoel gezien zit de noordpool boven en de zuidpool beneden. Op de plaats van de spoel wijst B dus naar beneden.

Richting van F:
Als je B en I weet gebruik je de linkerhandregel om de richting van de lorentzkracht te bepalen. Je vindt dan een kracht naar links.


Op vrijdag 14 apr 2017 om 15:14 is de volgende vraag gesteld
Bij vraag 8 wordt gerekend met een stookwaarde.
Wat houdt de stookwaarde precies in, is daar een filmpje over?
mvg

Erik van Munster reageerde op vrijdag 14 apr 2017 om 15:38
Zeker. Staat in het overzicht van de videolessen onder het kopje "Arbeid & Energie". De laatste videoles in het rijtje gaat over stookwaarde.