Inloggen

Kerstboomlampjes
HAVO 2013, 2e tijdvak, opgave 3


Download hierboven de originele pdf van het examen waar deze opgave in staat en de bijbehorende uitwerkbijlage. "Kerstboomlampjes" is de 3e opgave in dit examen. Als je de opgave gemaakt hebt kun je jezelf nakijken met het correctievoorschrift.

Kom je er zelf niet uit? Dan kun je hieronder je vraag stellen.

Vraag over "Kerstboomlampjes"?


    Hou mijn naam verborgen

Eerder gestelde vragen | Kerstboomlampjes

Op maandag 18 feb 2019 om 21:39 is de volgende vraag gesteld
Ik snap vraag 16 niet waarom het vermogen nu niet te hoog is. In de uitwerkingen staat dat het vermogen nu niet te hoog is, omdat de NTC bij lage temperatuur een hogere weerstandswaarde heeft dan het lampje.

Erik van Munster reageerde op dinsdag 19 feb 2019 om 13:36
Klopt, bij lage temperatuur heeft een NTC een hoge weerstand. Als er geen lampjes kapot zijn is de situatie dus hetzelfde als de situatie waarbij ze weerstand van 2,0kOhm gebruikt. In deze situatie was het vermogen niet het probleem.

(Het te hoge vermogen was alleen bij weerstanden van 2,0 Ohm een probleem, zie vraag 14 en niet bij 2,0 kOhm)


Op maandag 18 feb 2019 om 21:20 is de volgende vraag gesteld
Bij vraag 14 wordt er gesproken van het oorspronkelijke vermogen, maar wat was het oorspronkelijke vermogen dan?

Erik van Munster reageerde op dinsdag 19 feb 2019 om 13:32
Het oorspronkelijke vermogen is het vermogen van de kerstboom verlichting vóórdat ze haar aanpassing maakt. De spanning over elk lampje is dan 230V verdeelt over 24 lampjes: 9,58 V. Als je dan afleest in figuur 1 wat de stroom bij deze spanning vind je 0,12 A. Vermogen per lampje is dus P=U*I = 9,58*0,12 = 1,15 W. Er zijn 24 lampjes dus het totale vermogen is dan 1,15 W keer 24 = 27,6 W. Dit is veel lager dan het vermogen mét de aanpassingen.


Op maandag 18 feb 2019 om 21:12 is de volgende vraag gesteld
In de uitwerkingen van vraag 14 wordt voor de stroomsterkte van het lampje 0,12 A genomen, maar dit is nu toch niet meer het geval, aangezien er nu sprake is van een parallelschakeling en de stroom zich dus verdeeld over de tak van het lampje en de tak van de weerstand?


Op woensdag 27 jun 2018 om 15:35 is de volgende vraag gesteld
Bij vraag 15 begrijp ik dat je de vervagingsweerstand moet berekenen,maar hoe komen ze aan de 1/80 ? Ook begrijp ik niet helemaal waarom ze daarna nog + 2000 doen.
Alvast bedankt !

Erik van Munster reageerde op woensdag 27 jun 2018 om 15:53
Je moet hier de vervangingsweerstand berekenen van een lampje (80 Ohm) parallel aan een weerstand (2000 Ohm). De regel voor de vervangingsweerstand van dingen die parallel staan is

1/Rv = 1/R1 + 1/R2 + 1/R3 +...

Het 'een gedeeld door' zit dus in de formule. Vandaar 1/80

Het optellen van 2000 aan het eind komt omdat er een lampje wordt losgedraaid. De weerstand van het lampje+R is dan R geworden. Deze weerstand staat in serie met de rest van de lampjes vandaar dat de weerstand erbij opgeteld moet worden.

(Meer info over vervangingsweerstanden vind je in de videoles die hierover gaat)


Op maandag 12 mrt 2018 om 18:32 is de volgende vraag gesteld
Bij som 14 wordt de formule p= U^2/R gebruikt voor het vermogen van één weerstand. Waar komt deze formule vandaan?

Erik van Munster reageerde op maandag 12 mrt 2018 om 19:25
Deze formule volgt uit de formule voor vermogen (P=U*I) en de wet van Ohm. Uit de wet van Ohm volgt voor de stroomsterkte

I = U/R

Als je I vervangt door U/R in de formule voor vermogen krijg je

P = U * I

P = U * (U/R)

P = U^2 * R

Zo dus...