Inloggen

Magneten
VWO 2005, 2e tijdvak, opgave 4


Download hierboven de originele pdf van het examen waar deze opgave in staat en de bijbehorende uitwerkbijlage. "Magneten" is de 4e opgave in dit examen. Als je de opgave gemaakt hebt kun je jezelf nakijken met het correctievoorschrift.

Kom je er zelf niet uit? Dan kun je hieronder je vraag stellen.

Vraag over "Magneten"?


    Hou mijn naam verborgen

Eerder gestelde vragen | Magneten

Op dinsdag 30 jan 2018 om 19:57 is de volgende vraag gesteld
Kunt u misschien een verklaring geven voor de richtingen van de vectoren in opdracht 14. En wat betekent de kracht Fm uit opdracht 15?

Erik van Munster reageerde op dinsdag 30 jan 2018 om 21:36
Bij een magneet lopen de veldlijnen buiten de magneet van noord naar zuid. In de opgave staat dat de noordpolen van de twee magneten naar elkaar gericht staan. De bovenkant van de bovenste magneet is dus een zuidpool en de magnetische veldlijnen zijn dus naar de bovenkant van de bovenste magneet gericht. De vector in punt S wijst dus naar de bovenkant van de bovenste magneet toe.

De veldlijnen van de onderste magneet wijze weg van de bovenkant. In punt R resulteert dit in een magneetveld wijzend naar rechtsboven. De veldlijnen van de bovenste magneet wijzen weg van de ónderkant. In R resulteert dit in een magneetveld wijzend naar rechtsbeneden.

In punt R is de afstand tot beide magneten gelijk en is dus de invloed van beide magneten even groot. Een vector naar rechtsboven + een even grote vector naar rechtsbeneden levert een naar rechtswijzende vector op. Vandaar...

In vraag 15 is Fm de kracht van de bovenste magneet op de onderste

Op dinsdag 30 jan 2018 om 21:48 is de volgende reactie gegeven
Moet ik de kracht uit vraag 15 dan zien als een soort gewicht dat op de eerste magneet drukt? En hoe moet je dan weten dat deze even groot is als de zwaartekracht?

Erik van Munster reageerde op dinsdag 30 jan 2018 om 22:00
Uit de 3e wet van Newton weet je dat de kracht die de bovenste magneet op de onderste uitoefent even groot (maar tegengesteld is) aan de kracht die de onderste magneet op de bovenste magneet uitoefent.

De bovenste magneet zweeft. Hieruit weet je dat de kracht die de onderste magneet op de bovenste magneet uitoefent even groot is als de zwaartekracht op de bovenste magneet. Aangezien de magneten even zwaar zijn weet je dan dat deze kracht dus ook even groot moet zijn als de zwaartekracht op de onderste magneet.


Louise van Bijnderen vroeg op woensdag 24 jan 2018 om 09:33
Hoort deze opgave niet ook bij de sinusoïdes en vectoren?

Erik van Munster reageerde op woensdag 24 jan 2018 om 16:15
Dag Louise,

Klopt, deze opgave gaat (behalve over elektromagnetisme) ook over krachten. Ik heb het icoontje over dit onderwerp toegevoegd in de onderwerpenlijst.