Inloggen

Splijtstof in een kerncentrale
VWO 2013, 2e tijdvak, opgave 1


Download hierboven de originele pdf van het examen waar deze opgave in staat en de bijbehorende uitwerkbijlage. "Splijtstof in een kerncentrale" is de 1e opgave in dit examen. Als je de opgave gemaakt hebt kun je jezelf nakijken met het correctievoorschrift.

Kom je er zelf niet uit? Dan kun je hieronder je vraag stellen.

Vraag over "Splijtstof in een kerncentrale"?


    Hou mijn naam verborgen

Eerder gestelde vragen | Splijtstof in een kerncentrale

Op maandag 1 apr 2019 om 16:20 is de volgende vraag gesteld
''Water heeft een vrij kleine
dichtheid''

Zou dit wel van belang zijn als het een vloeistof zou zijn met een grote dichtheid? Omdat er dan meer botsingen zouden plaatsvinden?

Erik van Munster reageerde op maandag 1 apr 2019 om 19:32
Nee het gaat bij een moderator om het afremmen van te snelle neutronen. Dit gaat het best door ze te laten botsen op atomenkernen met (ongeveer) dezelfde massa. Dit zijn de waterstofkernen die in water zitten. Voor de dichtheid van water zijn juist niet de waterstofatomen maar de zuurstofatomen van belang. Deze zijn veel zwaarder en hebben dus een veel grotere invloed op de dichtheid.

Omdat het om de waterstofatomen gaat is dichtheid hier dus niet van belang.


Shant Marderos vroeg op zondag 20 mei 2018 om 22:18
Hallo Erik,

Zou je vraag 3 nader kunnen uitleggen, want ik snap het niet.

Mvg,

Shant

Erik van Munster reageerde op zondag 20 mei 2018 om 22:31
Kernreactoren en kritische toestand waren 5 jaar geleden nog onderdeel van de examenstof. In 2018 hoort dit onderwerp niet meer bij de VWO CE examenstof. Als je dit jaar examen doet hoef je het niet te kennen.

Als je het tóch wil weten: Als je hierboven bij "oefenen" kijkt in het hoofdstuk Kernen&DeeltjeVWO dan zie je dat opgave 9 gebaseerd is op deze examenopgave. Uitwerking vind je ook op de site en hierin wordt alles uitgelegd.


Op maandag 30 apr 2018 om 16:50 is de volgende vraag gesteld
hoe komen ze bij vraag 2 aan het getal 931,49

Erik van Munster reageerde op maandag 30 apr 2018 om 16:53
931,49 MeV is de energie die overeenkomt met één u (atomaire massaeenheid). Dit kun je vinden in BINAS tabel 7 maar je kunt het ook zelf uitrekenen met E=mc^2 door de massa van één u in te vullen (staat ook in tabel 7).

(Hoort trouwens niet meer bij de stof voor het huidige eindexamen)


Op dinsdag 27 mrt 2018 om 11:03 is de volgende vraag gesteld
Bij de kernreactie van de eerste vraag. Gebruiken ze letterlijk 2 neutronen (rechts van de pijl)
Nou had ik dit ook opgeschreven tot ik in binas keek. En zag dat de vervalreacties een -alfa deeltje gaf.
Ik had toen mijn antwoord verbeterd in een alfa deeltje, immers zitten daar ook 2 nieuwe neutronen in en 2 protonen. Ik dacht dat ze dat daarom bedoelde. Was mijn antwoord uiteindelijk ook goed? En zo niet hoe had ik dan kunnen weten dat ik de vervalreactie van binas had moeten negeren. Er onstaan bij een alfa deeltje immers ook 2 nieuwe neutronen. Of bedoelen ze altijd losse neutronen als ze zo genoemd worden?

Erik van Munster reageerde op dinsdag 27 mrt 2018 om 11:53
Het gaat hier om een splijtingsreactie en niet om een vervalreactie. Een vervalreactie treedt spontaan op bij instabiele isotopen en hierbij ontstaat (bij U-235) inderdaad een alfa-deeltje.
Maar, het gaat hier niet om de vervalreactie maar om wat er gebeurt als er een neutron op een U-235 kern wordt geschoten. Hierbij ontstaan, behalve twee spijtingsproducten ook altijd lósse neutronen.

(In 2013 was kernsplijting examenstof, maar tegenwoordig niet meer. Je hoeft het dus niet meer te kennen)

Erik van Munster reageerde op dinsdag 27 mrt 2018 om 11:55
Geldt ook voor je opmerking hieronder. Hoort niet meer bij de examenstof tegenwoordig...


Op donderdag 4 mei 2017 om 17:35 is de volgende vraag gesteld
Ik snap niet bij de antwoorden:
Van de 2,50 neutronen die gemiddeld per splijting ontstaan, moeten er 1,50
geabsorbeerd worden.
Waar haal je die 1,50 vandaan?

Erik van Munster reageerde op donderdag 4 mei 2017 om 17:38
Om stabiel te werken moet elke splijting leiden tot precies één nieuwe splijting. Van de 2,50 neutronen die gemiddeld ontstaan moet er precies 1 overblijven die tot een nieuwe splijting leidt. Vandaar dat er 1,50 geabsorbeerd moeten worden.


Robbin Schmidt vroeg op donderdag 4 mei 2017 om 16:20
Hoe kan ik zien dat bij vraag 3 400 neutronen worden gebruikt voor de reactie?

Erik van Munster reageerde op donderdag 4 mei 2017 om 16:45
In de vraag staat dat er per splijting gemiddeld 2,50 nieuwe neutronen vrijkomen. "In kritische toestand werken" betekent dat het aantal splijtingen per seconde gelijk blijft. Om te zorgen dat er de volgende "ronde" ook weer 1000 neutronen vrijkomen moeten er dus 1000 / 2,50 = 400 neutronen overblijven die ook weer voor 1000 nieuwe neutronen zorgen. Vandaar...


Op dinsdag 7 mrt 2017 om 14:45 is de volgende vraag gesteld
Waarom is bij vraag 4 de aanwezigheid van waterstof-kernen wel van belang, maar de aanwezigheid van zuurstof-kernen niet van belang?

Erik van Munster reageerde op dinsdag 7 mrt 2017 om 17:18
Zuurstofkernen zijn te zwaar om neutronen goed af te remmen. Je remt neutronen het best af door ze met iets te laten botsen wat ongeveer even zwaar is: Waterstofkernen dus.

Een extreem voorbeeld: Stel je voor dat je een pingpongbal wil afremmen en je hebt de keus tussen een bak pingpongballen en een bak bowlingballen. Als je de pingpongbal afschiet op de bowlingballen zal de pingpongbal weg kaatsen van iedere bowlingbal die hij raakt maar hierbij nauwelijks afremmen. Er wordt nauwelijks snelheid overgedragen op de bowlingballen.

In de bak met pingpongballen raakt hij zijn snelheid veel beter kwijt en de pingpongballen.

Op dinsdag 27 mrt 2018 om 11:48 is de volgende reactie gegeven
Ijzersterk voorbeeld Erik, begrijp het helemaal! maar waarom zijn een slechte neutronenabsorbeerder en de dichtheid van wel en geen belang. En is dit nou belangrijke stof, dit is meer scheikundig neem ik aan?