Inloggen

Strategiebepaling bij wielrennen
vwo 2014, 1e tijdvak, opgave 4


Download hierboven de originele pdf van het examen waar deze opgave in staat en de bijbehorende uitwerkbijlage. "Strategiebepaling bij wielrennen" is de 4e opgave in dit examen. Als je de opgave gemaakt hebt kun je jezelf nakijken met het correctievoorschrift.

Kom je er zelf niet uit? Dan kun je hieronder je vraag stellen.

Vraag over "Strategiebepaling bij wielrennen"?


    Hou mijn naam verborgen

Eerder gestelde vragen | Strategiebepaling bij wielrennen

Mila Janssen vroeg op woensdag 26 jun 2019 om 10:02
hoi Erik,
Als ik de snelheid aflees kom ik steeds uit op 8,5 m per s. Ik kom niet bij 6,5m per s.
kun je dit uitlegen?

Erik van Munster reageerde op woensdag 26 jun 2019 om 10:49
Ik denk dat dat komt omdat je afleest bij Phoogte = 600 W. Dan kom je namelijk inderdaad op 8,5 m/s.

Maar, hier moet je de snelheid vinden waarbij het totale vermogen, dus Phoogte + Pwrijving gelijk is aan 600 W. Je moet de twee grafieken in het diagram dus bij elkaar optellen en dán kijken wanneer je op een totaal vermogen van 600 W komt. Dan kom je op 6,5 m/s.

Mila Janssen reageerde op woensdag 26 jun 2019 om 12:04
dankjewel ik snap hem!


Clara van der Brug vroeg op vrijdag 10 mei 2019 om 19:56
Beste Erik,
Waarom hoef je bij opgave 16 niet te werken met Vgem? Omdat het geleverde vermogen gelijk is aan dat van de wrijvingskrachten en dus je netto kracht nul is (en v dus constant is)?
Groetjes en alvast bedankt!

Erik van Munster reageerde op vrijdag 10 mei 2019 om 21:58
Vraag 16 gaat over een andere situatie dan vraag 15 en gaat over de laatste 7,5 minuten waarbij de wielrenner met constante snelheid op het hoogste vermogen rijdt. De snelheid die je uit grafiek 3 afleest is dus ook de (constante) snelheid die de wielrenner de laatste 7,5 minuten rijdt. Je hoeft dus niet meer het gemiddelde te nemen of zo. Inderdaad is de nettokracht nul maar dat heb je voor het beantwoorden van de vraag verder niet nodig.


Op woensdag 23 mei 2018 om 15:50 is de volgende vraag gesteld
Hallo Erik,
Ik heb een vraag over 16. Ik heb het namelijk op een andere manier berekend dan het correctievoorschrift en vraag me af of dat ook goed is.
Zo heb ik het gedaan:
Topvermogen Alberto is 600 W, aflezen uit de grafiek van Phoogte geeft v = 8,5 m/s
Bij deze snelheid is de Pwrijving = 250 W
Dus totaal moet hij 250 + 600 = 850 W leveren.
Hij kan gedurende 450 sec (7,5 min) een vermogen van 600 W leveren
Hij kan dus een vermogen van 850 W gedurende 318 sec leveren.
s = 8,5 x 318 = 2,7 km
Het antwoord wijkt wel iets af van de 2,9 uit het correctievoorschrift, maar dat komt misschien door aflees onnauwkeurigheid? Klopt deze manier dan ook?
Alvast bedankt!

Erik van Munster reageerde op woensdag 23 mei 2018 om 16:10
Nee, je zult hiervoor niet alle punten krijgen. Er staat in de vraag dat hij gedurende 7,5 min 600 W kan leveren. Je mag er dan niet zomaar vanuit gaan dat hij een hoger vermogen gedurende een kortere tijd kan leveren als daar niks over in de vraag staat.


Op zaterdag 19 mei 2018 om 14:19 is de volgende vraag gesteld
Hallo Erik,
Hoe wordt bij vraag 15 de gemiddelde kracht bepaald? Is dat door de maximale kracht - minimale kracht te delen door 2?
Alvast bedankt!

Erik van Munster reageerde op zaterdag 19 mei 2018 om 16:12
Met maximale + minimale kracht gedeeld door twee kun je inderdaad de gemiddelde kracht bepalen. Maar aan de grafiek kun je zien dat de gemiddelde kracht iets lager is. De kracht is namelijk steeds maar héél kort hoog en heen veel groter deel van de tijd laag. De gemiddelde kracht is dus iets lager. Omdat het een schatting is hoeft het uiteraard niet heel nauwkeurig te zijn. Ergens tussen de 150 en 230 N is goed.


Op woensdag 28 mrt 2018 om 15:21 is de volgende vraag gesteld
Hoi,

Waarom staat bij vraag 16 dat de som van het vermogen 0,6 KW moet zijn. Is hiermee bedoeld met zijn topvermogen Pwrijving+Phoogte of zo? Ik dacht dat je de snelheid bij Phoogte=600 moest aflezen.

Erik van Munster reageerde op woensdag 28 mrt 2018 om 15:52
Dat klopt. Het maximale vermogen van 0,6 kW dat hij kan leveren gaat zitten in de stijging (Phoogte) én het overwinnen van de wrijvingskracht (Pwrijving). Het totaal van de 2 moet gelijk zijn aan 0,6 kW.