Inloggen

Afstanden bij versnelling






 
 
 

Een fietser rijdt met een snelheid van 3,5 m/s en begint op t=0 te versnellen met een constante versnelling van 0,70 m/s2. Bereken hoe lang het duurt voor de fietser 130 meter heeft afgelegd.

15 s 11 s 95 s 31 s 32 s 37 s 27 s 68 s







Vraag over quiz Afstanden bij versnelling?


    Hou mijn naam verborgen

Eerder gestelde vragen | Afstanden bij versnelling

Op woensdag 4 dec 2019 om 16:09 is de volgende vraag gesteld
Waarom kun je dit niet gewoon uitrekenen met de formule: S=0.5 x a x t kwadraat? dat is toch voldoende?

Erik van Munster reageerde op woensdag 4 dec 2019 om 16:18
Omdat de formule S=0.5 x a x t kwadraat alléén geldt als de beginsnelheid of de eindsnelheid 0 m/s is. Dat is hier niet zo. Vandaar dat je het hier op deze (veel ingewikkeldere) manier moet doen.

Op woensdag 4 dec 2019 om 16:46 is de volgende reactie gegeven
Kun je dit ook nog op een andere manier dan als met de abc formule? Die snap ik namelijk niet echt... en volgens mij kan het ook anders maar ik weet niet hoe..?

Erik van Munster reageerde op woensdag 4 dec 2019 om 19:09
Als je de eindsnelheid zou weten (de snelheid als je 150 m hebt afgelegd) dan zou je de gemiddelde snelheid kunnen uitrekenen. (Gemiddelde van vbegin en veind). Als je de gemiddelde snelheid weet kun je daarna uitrekenen hoe lang je bij die snelheid over 150 m doet.

Maar het vervelende hier is dat je die eindsnelheid niet weet.

Je komt dus altijd om een kwadratische vergelijking uit en dan is de abc-formule dé manier om die op te lossen.

(Dit is wel een écht lastige opgave hoor. Normaal gesproken is de beginsnelheid wel 0 bij soort opgaven)


Chantall Striper vroeg op maandag 25 nov 2019 om 17:12
Is het niet simpeler om eerst delta t te berekenen door meter/seconden te delen door a. dan krijg je delta t is 9.1034 seconden.
Daarna v gemiddeld (0-95): 2 = -13.2
In de formule invullen: s= v gem x t = 120.164

Al die bovenstaande formules duizelen me enorm en dan weet ik niet meer waar het over gaat en wat ik moet berekenen.

Erik van Munster reageerde op maandag 25 nov 2019 om 18:52
Klopt helemaal. Met vgemiddeld kun je het ook berekenen. Zoals wel vaker bij natuurkunde zijn er meerdere manieren om iets te berekenen. Belangrijkste is dat je een methode kiest die je zelf goed snapt. Als je liever met vgemiddeld werkt: prima natuurlijk.


Op maandag 29 apr 2019 om 10:20 is de volgende vraag gesteld
Hoi, heb even een vraagje

Bij de eerste vraag over de fietser wat doe ik fout als ik zeg:

Versnelling = Delta v : Delta t Omschrijven geeft --> Delta t = Delta v : Versnelling. Als je dit invult krijg je Delta t = 3,1 m/s : 0,80 m/s^2 = 3,9 s (afgerond). Maar dit klopt schijnbaar niet.

Hierna probeerde ik dit:

Snelheid = afstand : Tijd Omschrijven geeft --> Tijd = afstand : Snelheid. Als je dit weer invult krijg je Tijd = 160 m : 3,1 m/s = 52 s (afgerond). Maar dit klopt ook niet.

Wat doe ik fout?

Op maandag 29 apr 2019 om 10:22 is de volgende reactie gegeven
Sorry, Versnelling moet natuurlijk door 0,50 m/s^2 worden

Erik van Munster reageerde op maandag 29 apr 2019 om 19:33
Wat je hierboven eerst uitrekent is de tijd die het duurt om op vanaf 0 m/s een snelheid van 3,1 m/s te komen bij een versnelling van 0,50 m/s^2. Op zich prima maar dat is niet de vraag.

Met je tweede berekening reken je uit hoe lang je over een afstand van 160 m zou dan als je met een constante snelheid van 3,1 m/s zou bewegen. Is ook niet de vraag want er is ook nog een versnelling.

Bij dit soort vragen (met een bepaalde beginsnelheid én een versnelling) gebruik je een bewegingsvergelijking. Deze hoef je voor je examen niet niet te kennen. Dus geen zorgen: als je op je examen vragen over afstanden bij versnelde beweging krijgt kun je deze dus op een andere manier beantwoorden (bv met de gemiddelde snelheid of via de hokjesmethode).Maar soms kan de bewegingsvergelijking handig zijn. Staat ook in BINAS tabel 35-A1: een-na-laatste formule.


Op zondag 28 apr 2019 om 20:16 is de volgende vraag gesteld
Hoi,

Ik heb wat vragen over deze quiz, aangezien ik ze alledrie fout had..

Over vraag 1:
Hoe weet je dat de fietser eenparig versneld beweegt? In de vraag staat dat niet vermeld..
Mag je dat dus gewoon aannemen?
+
En ik heb die bewegingsvergelijking echt nog nooit gezien. Wat houdt deze vergelijking precies in? Wat kun je ermee? Is het van belang voor de examens?

Erik van Munster reageerde op zondag 28 apr 2019 om 20:52
De fietser heeft een versnelling van 0,50 m/s^2. Omdat deze versnelling verder niet toe- of afneemt weet je dat het een eenparig versnelde beweging is (a=constant).

De bewegingsvergelijkingen die hier gebruikt worden hoef je niet te kennen. Dus geen zorgen: als je op je examen vragen over afstanden bij versnelde beweging krijgt kun je deze dus op een andere manier beantwoorden (bv met de gemiddelde snelheid of via de hokjesmethode).

Maar soms kan de bewegingsvergelijking handig zijn. Staat ook in BINAS tabel 35-A1: een-na-laatste formule.